PERIODIEK
N I E U W S B R I E F
Vlaams Geneeskundigenverbond
53ste Jaargang Tweemaandelijks Tijdschrift September-Oktober 1998 - Nr 5
Afgiftekantoor: 2000 Antwerpen 1
Wat wij doen, wij doen het beter ?
Een Leuvense reflectie over defederalisering van het gezondheidsbeleid
Centrum voor Ziekenhuis- en Verplegingswetenschap
Knokke – 27 en 28 maart 1998
Het is voor de handliggend dat men een dergelijk initiatief als gelukkig en natuurlijk begroet; de universiteit is immers de plaats waar overdenken, eventueel bijsturen en het maken van verantwoorde beleidsvoorstellen thuishoort. Door te hoge wetenschappelijke en ook prestatie-eisen, die men hedentendage aan professoren stelt, heeft men soms de indruk dat kennis en techniciteit op welke gebied ook niet ontbreekt maar vernieuwende bezieling wel.
Merkwaardig is dat als men programma en sprekers overloopt men vaststelt dat meerdere faculteiten aanwezig zijn maar de medische faculteit "an sich" niet. Over de reden hiertoe gaan wij het niet hebben maar dit heeft niet alleen zijn weerslag op de inhoud maar ook op wie aanwezig is: ziekenhuisgeneesheren heel weinig, ziekenhuisdirecteurs waren in de meerderheid; politieke en sociale opiniemakers een minderheid. Hierdoor gaat breder uitdeinend impact teloor en hoort men ook te weinig de opvatting van wat leeft in de Vlaamse medische wereld.
De toestand van bepaalde facetten in het Belgisch gezondheidsbeleid werd vanuit sociale, economische en juridische hoek bekeken en dan bleek dat overdracht van de gezondheidszorg naar de gemeenschappen op geen onoverkomelijke bezwaren stuit maar de noodzaak om het te doen kwam weinig naar voren. Wel werd duidelijk naar voren gebracht dat vanuit economisch oogpunt geen impedimenta op grond van schaalgrootte aanwezig zijn om een defederalisering af te wijzen. Voor een spreker was de overdracht van de gezondheidszorg naar de gemeenschappen moeilijk wegens de kans op teloorgang van solidariteit met Wallonië, hij baseerde zich op de parabel van de Barmhartige Samaritaan…
Juridisch blijkt overheveling mogelijk. Professor St. Van Steenkiste ontwikkelde een concreet plan, dat aansluit bij het bekende scenario van Prof. D. Pieters. Professor Van Orshoven trad dit bij en had in het huidige wettelijke kader mogelijke oplossingen voor eventuele bezwaren.
Als eindbesluit kan men stellen dat bij de aanwezigen, hoofdzakelijk komende uit de administratieve ziekenhuiswereld geen merkbare oppositie tegen een overheveling van de gezondheidszorg naar de gemeenschappen bestaat maar dat slechts een minderheid dienaangaande een duidelijke stelling inneemt en dat deze minderheid gedachten en vlag dient op te nemen om de defederalisering door te voeren. Een actieve voortrekkersrol van het inrichtende Leuvens centrum en van de deelnemende faculteiten lijkt ons voor de hand liggend, niet alleen de medische wereld zal er goed bij varen maar heel Vlaanderen.
Dr. K. Seghers
Lid Raad van Bestuur V.G.V.
Op 9 mei ll. organiseerden het Vlaams Komitee Brussel en de Katholieke Universiteit Brussel een colloquium over bovenvermeld, meer dan ooit, actueel thema. Het colloquium werd ondersteund door onder meer het Vlaams Geneeskundigenverbond en de Brusselse Van Helmontgilde. Voor deze studiedag hadden 91 belangstellenden, hoofdzakelijk uit de welzijns- en gezondheidssector, ingeschreven.
Als dagvoorzitter en inleider herinnerde Prof. Dr. J. Degadt (K.U.Brussel) eraan dat de idee, om deze studiedag in te richten, gegroeid was uit het colloquium van 12 april ’97 over de gevolgen van een defederalisering van de sociale zekerheid voor Brussel. Meerdere Vlaamse politici uit Brussel hadden toen de vraag gesteld "Hoe garanderen we in de toekomst een volwaardig Nederlandstalig zorgaanbod in Brussel ?"
Minister R. Grijp gaf toe dat er, ondanks de wettelijke verplichting tot tweetaligheid in onthaal en verzorging in de Brusselse openbare ziekenhuizen, problemen zijn op het niveau van artsen en verpleegkundigen. Hij vond het echter niet wenselijk over te gaan tot de oprichting van Vlaamse openbare ziekenhuizen, doch zei niet waarom, en hij maande aan de Vlaamse aanwezigheid in de huidige openbare ziekenhuizen te versterken, doch vertelde niet hoe dat in de toekomst beter zou lukken dan in het verleden.
Daarna volgden drie referaten. Eerst bracht de Heer Reej Masschelein, coördinator van de Brusselse Welzijnsraad, een goed gestoffeerd overzicht van het bestaande zorgaanbod in Brussel. Hij behandelde achtereenvolgens de zorgverstrekkers (artsen, tandartsen, apothekers, verpleegkundigen en kinesitherapeuten), de bestaande voorzieningen (voorzieningen in de thuissfeer en ambulante zorg, de algemene en universitaire ziekenhuizen, de psychiatrische ziekenhuizen en de chronische verzorgingsinstellingen) en tenslotte de zorgvragers of patiënten. Hij zei ondermeer dat ruim 30 % van de patiënten, die in een Brussels ziekenhuis terechtkomen, Nederlandstaligen zijn, terwijl slechts 7,8 % van de bedden in een Vlaams ziekenhuis zijn gevestigd.
Daarop formuleerde Dokter L. D’Hooghe de probleemstelling. Enkele stellingen uit zijn betoog waren:
Tenslotte stelde Dr. J. Rampelberg oplossingsmodellen voor.
Voor de thuiszorg en de algemene zorg merkte hij op dat er momenteel een aantal Nederlandstalige voorzieningen bestaan, doch dat die sector nog te klein is. Hij bepleitte maatregelen ter bevordering van de vestiging van Vlaamse artsen te Brussel, evenals de uitbouw van een volledig net van Vlaamse rusthuizen en dagverzorgingscentra. Hij betreurde tenslotte de uiterste zuinigheid van de Vlaamse gemeenschaps-regering om in deze sectoren in Brussel te investeren.
Voor de verzorgingsinstellingen overliep hij drie mogelijke oplossingen: hetzij het behoud van een volledige bicommunautaire sector (volledige tweetaligheid), hetzij het behoud van een bicommunautaire sector met zekere splitsingen binnenin: het co-communautair beheer (combinatie van tweetaligen en een aantal eentaligen uit beide taalgroepen), hetzij de uitbouw van een eigen aanbod in gezondheidszorgen door iedere gemeenschap. Zijn besluit was dubbel: 1) wat de urgentiediensten betreft moet tweetaligheid van het hele of haast het hele personeel geëist worden en 2) indien blijkt dat niet aan de basisvoorwaarden is voldaan om met de Franstaligen tot volledige of gedeeltelijke samenwerking te komen, moet men de moed hebben om binnen iedere gemeenschap eigen netwerken op te zetten.
De bespreking in werkgroepen werd opgesplitst volgens de thema’s thuis- en ambulante zorg, algemene ziekenhuizen, universitaire ziekenhuizen, psychiatrische en bijzondere zorg.
De stellingen die in deze werkgroepen werden aangenomen, werden samengevat als volgt:
Tijdens de plenaire zitting met panelgesprek werden bovengenoemde stellingen door meerdere panelleden (o.m. ons bestuurslid Dr. R. Vermeulen) en tussenkomsten uit het publiek ondersteund. Herhaaldelijk werd bovendien aangedrongen om meer Nederlandstalige afgestudeerde artsen aan te sporen Brussel als werkterrein te kiezen.
De beleidsconclusies werden gebracht door dagvoorzitter en tevens voorzitter van het Vlaams Komitee Brussel, André Monteyne. Hij sloot zich aan bij hogervermelde stellingen van de werkgroepen, bevestigde dat voor de algemene ziekenhuizen het bicommunautaire stelsel ontgoochelt, stelde dat het co-communautair stelsel te ingewikkeld is om werkzaam te zijn en pleitte voor de geleidelijke oprichting van een netwerk van instellingen in Vlaams beheer, openstaande voor de ganse bevolking.
In haar slotrede (zie elders in dit nummer) riep Minister B. Grouwels op het Vlaams unicommunautaire netwerk in Brussel verder uit te bouwen en om minstens de bicommunautaire sector te hervormen door het stellen van taalvoorwaarden die moeten leiden tot een evenwaardig beheer en beleid; zij stelde bovendien dat het Nederlandstalig zorgaanbod in Brussel moet ingepast worden in de geplande communautarisering van de gezondheidszorg.
De inrichters van, en medewerkers aan, dit colloquium verdienen onze dank: dat de Nederlandstalige patiënten in Brussel in hun taal zouden behandeld worden is een blijvende bekommernis van het Vlaams Geneeskundigenverbond. Wij laten Brussel nooit los.
Prof. Dr. Eric Ponette, Voorzitter VGV
Opdat er geen misverstand zou ontstaan herhaal ik vooraf dat de Raad van Bestuur van het Vlaams Geneeskundigenverbond voorstander is van het stemrecht voor EU-burgers, doch onder bepaalde voorwaarden (zie briefwisselingen en artikel van G. Tastenhoye).
In verband met de huidige discussie rond de invoering van dat EU-stemrecht kunnen aan de Vlaamse politieke meerderheidspartijen een aantal vragen worden gesteld:
Het antwoord is pijnlijk eenvoudig: omdat de Vlaamse meerderheidspartijen niet bereid zijn de rechtmatige Vlaamse belangen bij voorrang te verdedigen.
Het weze echter duidelijk: wie de politieke confrontatie weigert of troefkaarten weggooit, krijgt klappen van tegenstrever en achterban.
Prof. Dr. Eric Ponette, voorzitter VGV
Geachte Heren Voorzitters,
Geachte vertegenwoordigers van de academische, sociale en medische wereld,
Dames en Heren,
Beste Vrienden,
Ik wil eerst en vooral de organisatoren van dit colloquium, de Katholieke Universiteit Brussel en het Vlaams Komitee Brussel, van harte feliciteren met dit initiatief. Zij weten dat ik dit colloquium bijzonder belangrijk vind. Maar ik wil dat hier nog eens extra onderlijnen.
Belang van dit Colloquium
Dit colloquium over het Nederlandstalig zorgaanbod in Brussel komt immers op zijn tijd. En het is helemaal geen vrijblijvende denkoefening. Ten eerste worden we aan Vlaamse kant in Brussel geconfronteerd met een aantal knelpunten op het vlak van het gezondheidsbeleid en het zorgaanbod. En daarnaast is er natuurlijk het debat over de defederalizering van de gezondheidszorg, met alle gevolgen vandien voor Brussel. Het is dus zeker nodig ons degelijk te documenteren en grondig na te denken over de pistes die we als Vlaamse Gemeenschap in Brussel willen bewandelen op het vlak van de gezondheidszorg.
Brusselse gezondheidszorg is een zaak voor de hele Vlaamse Gemeenschap
Hierbij wil ik onderstrepen dat de knelpunten die wij als Vlamingen ondervinden binnen de Brusselse gezondheidszorg geen aangelegenheid zijn voor de Brusselse Vlamingen alleen. Brussel vervult, ook op het vlak van de gezondheidszorg, een centrumfunctie. Meer dan 18 % van de patiënten in de Brusselse ziekenhuizen komen uit het Vlaamse Gewest. De toekomst van de gezondheidszorg in Brussel is dus een zaak voor de gehele Vlaamse Gemeenschap.
Huidige knelpunten
De Brusselse Vlamingen, en de Vlaamse gebruikers van de Brusselse gezondheidszorg in het algemeen, ondervinden in de huidige situatie grosso modo vier knelpunten.
Onthaal van Vlaamse patiënten
Ten eerste is er het onthaal van de Vlaamse patiënten in de bi-communautaire instellingen. Uiteraard kan men niet alle instellingen over één kam scheren. En natuurlijk is het zo dat er in de bi-communautaire instellingen heel wat goede tweetalige dokters en verplegers werken, die alle patiënten op een professionele en voorbeeldige wijze behandelen, ongeacht hun moedertaal. Maar het is een onmiskenbaar feit dat Vlamingen nog elke dag moeilijkheden ondervinden om in hun eigen taal behandeld te worden in zogenaamd bi-communautaire instellingen. Dit is uiteraard onaanvaardbaar.
Onvoldoende Vlaamse artsen en verpleegkundigen
Ten tweede is er het feit dat Vlaamse artsen en verpleegkundigen onvoldoende aanwezig zijn in de Brusselse gezondheidszorg, en dan in het bijzonder in de grote bi-communautaire ziekenhuizen. Dit vormt een ernstig probleem want een ziekenhuis kan niet echt bi-communautair zijn indien beide gemeenschappen er niet op volwaardige wijze aanwezig zijn, en dit op alle echelons.
Onvoldoende Vlaamse impact op Brussels gezondheidsbeleid
Ten derde is er de vaststelling dat wij als Vlaamse Gemeenschap onvoldoende wegen op het Brusselse gezondheidsbeleid. De oorzaak hiervan is niet ver te zoeken. Het gezondheidsbeleid in Brussel, en vooral dan op het vlak van de geïnstitutionaliseerde gezondheidszorg, is hoofdzakelijk een Brusselse bi-communautaire aangelegenheid. En daarbij beschikken we over geen wettelijke instrumenten om een daadwerkelijke inbreng effectief af te dwingen. Door het gebrekkige voogdijsysteem kunnen we bovendien constant gechanteerd worden bij onze pogingen om de Vlaamse belangen te verdedigen. Ons enig drukkingsmiddel bestaat nu immers in het lamleggen van de gezondheidssector, wat omwille van de impact op de bevolking onaanvaardbaar is.
Witte vlekken in eigen zorgaanbod
Ten vierde moeten we ook erkennen dat de Vlaamse Gemeenschap de mogelijkheden waarover ze wel beschikt niet altijd maximaal aangewend heeft in Brussel. Vlaanderen investeert veel in Brussel, en sommige voorzieningen zijn hier goed uitgebouwd. Maar het valt niet te ontkennen dat er nog witte vlekken zijn in het Vlaamse zorgaanbod in de hoofdstad. Ik denk hier vooral aan de sector van de psychiatrie en aan het gebrek aan Vlaamse RVT’s in Brussel.
Dat zijn de problemen. Ze zijn niet nieuw. En iedereen die hier vandaag aanwezig is, is er wel mee vertrouwd. De vraag is: wat kunnen we hier aan doen ? Ik zou hieromtrent drie pistes willen schetsen die ik als complementair beschouw.
Eerste Piste: Uitbouw uni-communautair netwerk
Een eerste piste is de verdere uitbouw van ons eigen Vlaams, uni-communautair, netwerk. Als Brusselse Vlamingen willen wij ten volle participeren in het gezondheidsbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Dat wil zeggen dat die Gemeenschap, en al haar voorzieningen, op een volwaardige wijze moeten aanwezig zijn binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De eerder vermelde "witte vlekken" in het zorgaanbod moeten dus zo snel mogelijk weggewerkt worden, en er mogen er zeker geen nieuwe bijkomen.
Positieve inbreng en openheid
De uitbouw van een uni-communautair netwerk mag zeker niet gezien worden als een aanslag op het Brussels samenlevingsmodel. Integendeel, het is een verrijking ervan. De uitbouw van een eigen Vlaams netwerk is immers niet gericht tegen de andere gemeenschap. De bedoeling is wel te komen tot een betere dienstverlening, in de eerste plaats voor de Brusselse Vlamingen, maar ook voor de gehele Brusselse samenleving. Uni-communautaire voorzieningen kunnen immers even goed openstaan voor alle gemeenschappen en taalgroepen.
De reeds bestaande Vlaamse uni-communautaire instellingen zijn daar het beste voorbeeld van. De tweetalige, ja zelfs meertalige, dienstverlening t.a.v. de patiënten gebeurt er vaak correcter dan in sommige bi-communautaire instellingen. En zo hoort het ook. Binnen het kader van ons Vlaams gezondheidsbeleid wensen wij alle patiënten in Brussel correct en professioneel te behandelen, ongeacht hun taal.
Meer Vlaamse artsen en verpleegkundigen aantrekken
Een Vlaams netwerk van gezondheidsvoorzieningen uitbouwen heeft geen zin, en is zelfs onmogelijk, zonder voldoende Vlaamse artsen, verpleegkundigen, enz. Het is een feit dat er een tekort is aan Vlaamse medici en verzorgers in Brussel. Dit is een ernstig probleem, want zonder voldoende aanbod van dergelijke mensen kunnen we niet alleen geen eigen volwaardig netwerk uitbouwen, maar kunnen we ook onze participatie in de bi-communautaire sector niet opdrijven. We moeten dus dringend meer Vlaamse artsen en paramedici naar Brussel aantrekken. Op de vraag hoe we dat kunnen doen heb ik niet onmiddellijk een pasklaar antwoord. Enerzijds is het natuurlijk onontbeerlijk dat Nederlandstalige artsen en verpleegkundigen zich in de Brusselse ziekenhuizen goed moeten kunnen voelen. Er mag met andere woorden geen negatieve reden meer zijn om uit Brussel weg te blijven. Anderzijds moet er ook aan positieve incentives gedacht worden. Dat kan gaan van begeleiding bij het zoeken naar goede huisvesting en een goede praktijk tot het verlenen van faciliteiten op het vlak van wetenschappelijke ondersteuning.
Netwerken en zichtbaarheid
Wanneer ik het over de uitbouw van een Vlaams netwerk in de gezondheidszorg te Brussel heb, dan bedoel ik daarmee niet alleen gebouwen en instellingen. Even belangrijk is het menselijk netwerk, dat ondersteuning biedt. Ik denk hier aan organisaties zoals de Brusselse Huisartsen en de Vlaamse wachtdienst. Zij vervullen een essentiële rol, niet alleen als goede dienstverlening aan zorgbehoevenden en ter ondersteuning van hun leden, maar ook ter vergroting van de zichtbaarheid van de Vlaamse zorgverstrekkers in Brussel. Het zou mijns inziens zeer nuttig zijn indien ook de andere Vlaamse zorgverstrekkers (bv. de ziekenhuisartsen) zich ook op dergelijke wijze zouden verenigen. Ik wil een dergelijk initiatief graag aanmoedigen. En ik geloof dat zij op deze wijze beter zouden kunnen bijdragen tot het identificeren van de knelpunten en het uittekenen van constructieve oplossingen voor de Vlaamse patiënten. In ieder geval moeten we er alles aan doen om de Vlaamse zorgverstrekkers in Brussel nog meer zichtbaar en bereikbaar te maken voor de Vlaamse patiënten, en trouwens ook voor alle patiënten die voor een Vlaamse zorgverstrekker willen kiezen.
Tweede Piste: Hervorming bi-communautaire sector
De uitbouw van een eigen Vlaams netwerk van uni-communautaire voorzieningen is een belangrijke piste, om te beginnen vooral voor de extramurale zorg. Anderzijds is het ongetwijfeld zo dat de bi-communautaire sector, vooral op het vlak van de grote infrastructuur (d.w.z. de ziekenhuizen), ongetwijfeld nog een rol te spelen heeft. Maar dan moet die bi-communautaire sector wel zijn rol waarmaken ten overstaan van beide gemeenschappen. En dat vereist een grondige hervorming. Toen men de bi-communautaire sector opgericht heeft is men al onmiddellijk op het verkeerde been gestart door aan de keuze voor deze sector geen enkele voorwaarde te verbinden op het vlak van onthaal en behandeling van de patiënten in hun eigen taal. Het zou nochtans de evidentie zelf moeten zijn dat instellingen, ongeacht of ze tot de openbare of privé-sector behoren, die bi-communautair gefinancierd worden, d.w.z. voor meer dan de helft door Vlaamse belastingsbetalers, ook beide gemeenschappen in hun eigen taal moeten kunnen behandelen. Even evident is dat dergelijke instellingen op gelijkwaardige wijze moeten beheerd worden door beide Gemeenschappen en dat zowel op het vlak van het politieke beleid als op het niveau van de individuele instellingen.
Ik pleit er dus voor om de huidig bi-communautaire sector om te vormen tot een co-communautaire sector, waarin beide Gemeenschappen op voet van gelijkheid kunnen participeren in het beleid en het dagelijks beheer. Er zou dus een nieuw keuzemoment moeten komen, waarbij alle instellingen kunnen kiezen voor een uni-communautair of een co-communautair statuut. Daarbij moet deze laatste keuze onderworpen zijn aan duidelijke en afdwingbare voorwaarden i.v.m. onthaal, taalgebruik, en vertegenwoordiging van beide Gemeenschappen in het personeel en in het beheer, wellicht met een zekere overgangsperiode.
Derde Piste: Defederalisering gezondheidszorg
De uitbouw van een Vlaams uni-communautair netwerk en de hervorming van de bi-communautaire sector kunnen niet los gezien worden van de toekomstige institutionele evolutie. De commissie Staatshervorming van het Vlaams Parlement heeft hieromtrent reeds een duidelijk standpunt ingenomen. Op 6 maart 1997 sprak de commissie zich bijna éénparig uit voor "de integrale overheveling van de normerings-, uitvoerings-, en financieringsbevoegdheid betreffende het volledige gezondheids- en het gezinsbeleid naar de gemeenschappen" Uiteraard volstaat het niet het hierover onder Vlamingen eens te zijn. Een defederalisering van de gezondheidszorg vereist een akkoord tussen beide grote Gemeenschappen. Wat de uiteindelijke uitkomst hiervan zal zijn is nog niet duidelijk. Maar dit thema staat toch duidelijk aan de orde, en het is dan ook nuttig om enkele belangrijke principes uit te tekenen en zich even te bezinnen over mogelijke knelpunten, onder meer in Brussel.
Laat mij eerst en vooral stellen dat we voorzichtig moeten zijn wat betreft woordgebruik. Er wordt al eens gesproken over regionalisering. Hiervan kan natuurlijk geen sprake zijn. Als de gezondheidszorg gedefederaliseerd wordt, dan moet het naar de Gemeenschappen zijn en niet naar de Gewesten. Evenmin kan er sprake van zijn in deze context de Brusselse Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie op te blazen tot een quasi-volwaardige Gemeenschap. Ik breng dit hier naar voor om zonneklaar te maken dat ook in deze materie de Brusselse Vlamingen integraal deel moeten blijven uitmaken van de gehele Vlaamse Gemeenschap.
Het moet even duidelijk zijn dat een gedefederaliseerde gezondheidszorg open zal blijven staan voor allen in onze samenleving. Dit impliceert ten eerste dat er solidariteit moet blijven bestaan, zowel binnen elke Gemeenschap, als tussen de Gemeenschappen. De ratio van een gebeurlijke defederalisering is de noodzaak van een coherent beleid, niet een benepen vorm van krenterigheid. Ten tweede impliceert deze openheid dat alle instellingen, of ze nu behoren tot het Vlaamse of Franse stelsel, op gelijkwaardige wijze openstaan voor patiënten uit beide Gemeenschappen.
In Brussel moet men vrij kunnen kiezen tot welk stelsel men wenst te behoren. Het is trouwens niet abnormaal te kiezen tussen een Franstalig en Vlaams aanbod. Op talrijke domeinen kiest men nu reeds in Brussel (onderwijs, gehandicaptenzorg, edm). En dit belet het harmonieus samenleven tussen de mensen niet. Bovendien is het zo dat men nu reeds in de ziekenhuizen patiënten behandelt met verschillende soorten verzekeringen. De Europese éénmaking zal ons in de toekomst nog verder brengen op deze weg. Ook nu reeds kan men ervoor opteren zich in een ander land, met een ander systeem, te laten behandelen. En zonder dat dit inhoudt dat men zich afzet tegen een andere gemeenschap.
Er mag uiteraard geen ongezonde concurrentie ontstaan tussen beide stelsels, waarbij men bijvoorbeeld probeert de sociaal zwakkeren naar elkaar af te schuiven. Het vinden van een goed patiëntengericht en werkbaar systeem dat vlot toepasbaar is binnen Brussel is zeker geen gemakkelijke opgave. Maar het is zeker niet onmogelijk. En het huidige systeem is in ieder geval geen voorbeeld van perfectie. De grote vragen i.v.m. een defederalisering liggen trouwens eerder op het vlak van de globale financiering
dan op het vlak van de toepasbaarheid in Brussel. Dit is zeker het geval wanneer dergelijke operatie moet samengaan met een lastenverlaging voor het bedrijfsleven.
Conclusie
Gezien de huidige toestand in de Brusselse bi-communautaire sector dringen hervormingen zich in ieder geval op. Onze ambitie daarbij is om in Brussel een gezondheidsbeleid en een zorgaanbod uit te bouwen waarin patiënten en zorgverstrekkers van beide Gemeenschappen zich kunnen terugvinden. Daarbij moeten we er ons rekenschap van geven dat Brussel een multiculturele en multi-etnische samenleving is, waar niet alleen de beide grote Gemeenschappen van ons land, maar ook een groot aantal Brusselaars van buitenlandse oorsprong met en doorheen elkaar samen moeten leven. Wanneer wij dan pleiten voor de uitbouw van een Vlaams netwerk, voor de hervorming van de bi-communautaire sector, en voor een gedefederaliseerde gezondheidszorg, is het niet alleen omdat wij op die manier de banden tussen Brussel en Vlaanderen nauwer willen aanhalen en de Vlaamse belangen in Brussel beter willen verdedigen. Wij doen dit ook, en vooral, omdat we geloven dat dit voordelen kan bieden voor alle Vlamingen die in Brussel verzorgd worden en voor alle Brusselaars. En omdat we geloven dat de gehele Vlaamse Gemeenschap baat heeft bij een goede werking van de gezondheidszorg in Brussel. Het realiseren van deze visie op een kwalitatieve en efficiënte zorgverstrekking is een verantwoordelijkheid van het beleid; van het werkveld; van de academische wereld; en van de Gemeenschap in het algemeen. Vandaag heeft u hier met zijn allen een nieuwe aanzet toe gegeven. En daarvoor dank ik u.
Belgische federatie valt uiteen door onvoorwaardelijk vreemdelingenstemrecht
door Guido Tastenhoye
journalist binnenlandse politiek bij Gazet van Antwerpen
Het EU-stemrecht, dat aan onderdanen van de Europese Unie die in België verblijven stemrecht wil geven bij de gemeenteraadsverkiezingen, moet desnoods worden uitgesteld tot na de verkiezingen van juni 1999. Het mag niet worden ingevoerd op de kap van de Brusselse Vlamingen. Dat stelde Vlaamse CVP-minister van Brusselse Aangelegenheden en Gelijke Kansen Brigitte Grouwels(1).
Grouwels ging daarmee lijnrecht in tegen de CVP-top die het snel op een akkoordje wilde gooien met de PRL-FDF-federatie met het oog op een tweederde meerderheid om een noodza-kelijke grondwetswijziging door te voeren. Dat ze niet aarzelde de eigen partijtop tegen de haren in te strijken illustreert dat ze de toestand van de Brusselse Vlamingen als zeer ernstig inschat. Grouwels zei dat de toekenning van het op zichzelf uiterst waardevolle EU-stemrecht dient te geschieden parallel met de toekenning van waarborgen aan de Brusselse Vlamingen. "Indien de twee nu niet gelijktijdig kunnen worden toegekend, dienen beide aangelegenheden verwezen te worden naar de regeringsonder-handelingen van juni 1999, één vol jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2000".
Daarmee zegt Grouwels in feite dat er geen reden is om grote haast te maken met dat EU-stemrecht, ook al werd België recent veroordeeld door het Europees Hof van Justitie. Grouwels gelooft niet dat het later nog mogelijk zal zijn garanties af te dwingen voor de Brusselse Vlamingen tenzij daar een zeer zware prijs voor wordt betaald. Het lijkt Grouwels dus "ongepast om wel in te gaan op de door het FDF en de PRL gestelde eisen en tezelfdertijd de door de Vlaamse democratische partijen gestelde voorwaarden, waaronder deze betreffende Vlaams-Brussel, te negeren. Zodra de Vlaamse politieke vertegenwoordiging in Brussel onder een minimum belandt zal het Brussels model opgehouden hebben te bestaan. Op dat ogenblik zal wellicht blijken dat de drieledige gewestvorming veel meer kiemen van separatisme in zich bevat dan een tweeledige gemeenschaps-vorming. De verankering van de gemeenschappen in Brussel en van Brussel in de gemeen-schappen, zijn en blijven de beste waarborgen tegen separatisme"
In haar 11 juli-rede op de guldensporenviering in Voeren op 10 juli 1998 had ze gezegd dat de Franstaligen die het EU-stemrecht willen misbruiken om de Nederlandse taal en cultuur en de Vlaamse bevolking in en rond Brussel te verdringen, een ernstige bedreiging vormen voor de Brusselse en federale instellingen. "Wie het evenwicht tussen Vlamingen en Franstaligen in de federale hoofdstad ondermijnt, bedreigt ook het voortbestaan van België", zei Grouwels, die zo de thesis onderschrijft van het Vlaams Komitee voor Brussel. Ook het Brusselse europarle-mentslid Annemie Neyts (VLD) bevestigde deze thesis(2).
Het standpunt van Grouwels, die in Brussel woont en de stad beter dan wie ook in de CVP kent, is even simpel als helder. Ook zij is een voorstander van het EU-stemrecht (zoals bijna alle Vlamingen), maar ze wil dat er parallel aan de invoering daarvan ook waarborgen worden voorzien voor de Brusselse Vlamingen. Zoniet dreigt er een catastrofen-scenario. In mijn twee boeken over Brussel en Vlaams-Brabant besteedde ik veel aandacht aan de problematiek van het EU-stemrecht. Het eerste boek "Vlaams-Brabant in de wurggreep van Europa"(4) verscheen reeds in 1991, het tweede boek "Vlaams-Brabant ingelijfd bij Brussel ?" werd gepubliceerd in 1997(5) en kende al een tweede druk. Beide boeken beïnvloedden in belangrijke mate de Vlaamse standpunten en lagen mede aan de basis van de actieplannen van de Vlaamse regering en het Vlaams Parlement voor Brussel en Vlaams-Brabant.
Laat me toe de cijfers even op een rijtje te zetten. In 1995 haalden alle Vlamingen samen nog zowat 56.000 stemmen in Brussel, tegenover ongeveer 450.000 voor de Franstaligen. De Vlamingen blijven verder Brussel ont-vluchten, en intussen groeit de groep nieuwe Belgen versneld aan door de sterk versoepelde procedures om Belg te worden. Tussen 1995 en 1999 zullen in Brussel meer dan 50.000 nieuwe Belgen bijkomen, die allen stemplicht hebben. Zij mogen dus niet kiezen, zij moeten kiezen. Van de nieuwe Belgen, in hoofdzaak Marokkanen en Turken, kiest 1,36 % voor het Nederlands en 98,64 % voor het Frans. Dat zijn officiële cijfers.
En dat is nog niet alles. Want ook zonder EU-stemrecht worden de Brusselse Vlamingen in juni 1999 bij de verkiezingen voor de Brusselse gewestraad al sterk bedreigd. Want al die nieuwe Belgen, van wie de overgrote meerderheid geen Nederlands spreekt, moeten zoals gezegd gaan kiezen. Indien men de naturalisatieprocedures tot een formaliteit op het gemeentehuis zou herleiden voor iedereen die 5 jaar in België verblijft (waar de PRL-FDF sterk op aandringt) dan komen er op die wijze een kleine 200.000 potentiële kiezers bij in Brussel; dat effect is dus nog veel groter dan dat van het EU-stemrecht. En in oktober 2000 krijgen dan nog eens 134.000 EU-burgers gemeentelijk stemrecht (meer dan er nog Vlamingen overschieten in Brussel) van wie er 85 % afkomstig zijn uit Latijnse landen, en die in Brussel aansluiting zoeken bij de Franse cultuur, met als grootste groepen de Fransen (31.719), de Italianen (29.762), de Spanjaarden (22.965) en de Portugezen (15.615). De ‘Germanen’ zijn in Brussel telkens met slechts enkele duizenden aanwezig. Zo wonen er 4.972 Nederlanders in Brussel, die onze hoofdstad helaas dan nog dikwijls beschouwen als een Franstalige stad. De ‘Latijnen’ sluiten in Brussel overwegend aan bij de Franse cultuur. Elke terrein-kenner weet dat. De Vlaamse aanwezigheid zal ruim onder de 10 % zakken en wordt zo te onbetekenend om er nog garanties voor af te dwingen.
En nog is het niet alles. Want er verlaten zowat elk jaar 10.000 inwoners de hoofdstad, onder wie een relatief groot aantal Vlamingen. Hun plaatsen worden ingenomen door buitenlanders (EU-burgers, Oost-Europeanen en vooral Marokkanen en Turken die België binnenkomen door te huwen met een reeds in België verblijvende allochtone partner) en door de nakomelingen van de reeds hier residerende allochtonen. In 1998 bestaat ongeveer 40 % van de Brusselse bevolking uit buitenlanders en uit mensen van allochtone afkomst (350.000 allochtonen, zijnde 280.000 buitenlanders en 70.000 mensen van allochtone afkomst) op een bevolking van 950.000. In het jaar 2005 of 2006 zal de Brusselse bevolking voor de helft uit allochtonen bestaan en voor de andere helft uit autochtonen. Tegen het jaar 2015 zal de situatie compleet omgekeerd zijn, en bestaat de Brusselse bevolking voor 60 % uit allochtonen en nog voor slechts 40 % uit autochtonen. Wellicht beseffen de autochtone Franstalige Brusselaars niet dat ook zij weldra een minderheid zullen zijn in Brussel.
Dat zijn dus de harde cijfers, en die kent Brigitte Grouwels ook. Daarom zegt ze dat de gegarandeerde vertegenwoordi-ging van de Brusselse Vlamingen op alle bestuursniveaus gelijktijdig moet worden geregeld met het EU-stemrecht. Gebeurt dat niet dan zal achteraf voor de verzwakte en onbeschermde Brusselse Vlamingen een (te) zware prijs moeten worden betaald.
Dan kunnen wij Vlamingen twee dingen doen: aan de Franstaligen enorme toegevingen doen in de Vlaams-Brabantse Rand (door de Franstaligen steevast de "Brusselse periferie" genoemd) en wij zullen ons bovendien eeuwig blauw blijven betalen aan een Wallonië dat op onze kosten leeft. Of wij kunnen dan ook niets doen, verlamd als we zijn door de Franstalige chantage, waarbij dan de weerloze, onbeschermde Vlamingen het permanente chantagemiddel blijven in de handen van de Franstaligen die zo elke Vlaamse eis voor meer autonomie kunnen tegenhouden. Hebben de Vlaamse politici van CVP en SP dan werkelijk niets begrepen van tactiek en strategie ? En dan durft CVP-voorzitter Marc Van Peel met een uitgestreken gezicht zeggen dat het EU-stemrecht geen communautaire kwestie is. En zoekt hij steun bij de PRL-FDF, die daar natuurlijk gretig op ingaat.
Mag ik er hier aan herinneren dat de bocht van de PRL spectaculair is. De PRL toonde zich altijd, mede onder invloed van haar overleden voorzitter Jean Gol, een vurig tegenstander van het stemrecht voor migranten. In Brussel ging de PRL onder leiding van haar kopstuk Roger Nols fel te keer tegen de migranten, ondermeer met affiches waarop een C-130 te zien was, en daaronder enkele migranten op kamelen met als vrij vertaald onderschrift: "Met de PRL waren ze al onderweg". Sommige pamfletten van de PRL waren zo racistisch van inslag dat het Vlaams Blok er rode oortjes zou bij krijgen. In het parlement verklaarde de PRL zich meermaals en openlijk een tegenstander van de multiculturele samenleving. PRL-parlementslid Jacques Simonet, de zoon van gewezen minister van Buitenlandse Zaken Henri Simonet, toonde zich, met instemming van zijn fractie, een voorstander van een beleid van terugkeer van de migranten naar het land van oorsprong. De bocht van de PRL is dus louter ingegeven door opportunistische overwegingen, niet door liefde voor de vreemdelingen.
Brussel baart ons Vlamingen dus grote zorgen. Verkiezing na verkiezing gaan de Vlamingen achteruit in Brussel. In 1988 waren er nog 78 Vlaamse gemeenteraadsleden op de in totaal 665 in de 19 gemeenten van het Brussels gewest. In 1994 was hun aantal reeds geslonken tot 69. Van die 69 behoren er 7 tot het Vlaams Blok of het Front National, wellicht mede verkozen met Franstalige stemmen. De meeste Vlaamse raadsleden werden bovendien op tweetalige lijsten verkozen met een groot Franstalig overwicht. Met andere woorden: bij de gratie van de francofonen. De PRL-FDF-federatie zou al van plan zijn om geen Vlaamse liberalen meer op haar lijsten op te nemen. Van de nog 70 Vlaamse gemeenteraads-leden in Brussel (op 651, 10,75 %), zouden er 16 wegvallen met EU-stemrecht en minstens 20 met algemeen vreemdelingenstem-recht. De Vlaamse kartellijsten zouden bijzonder zware verliezen lijden. Op het niveau van het Brussels parlement zou het vreemdelingenstemrecht er in het slechtste geval toe leiden dat de Vlamingen niet meer met genoeg zijn om de grondwettelijk voorziene zes afgevaardigden naar het Vlaams Parlement te sturen (nu hebben de Vlamingen nog 10 zetels op de 75 in het Brussels parlement). De achteruitgang van de Vlamingen in Brussel is te wijten aan de aanhoudende stadsvlucht onder de autochtonen (wegens stadsverloedering, crimi-naliteit, enz.), de enorme vergrijzing en de geringe politieke macht van de Vlaamse politici. Bij een gelijklopende evolutie zullen in 2000 nog eens 10 Vlaamse raadsleden wegvallen, ook zonder EU-stemrecht, namelijk uitsluitend door de demografische achteruitgang van de Vlamingen.
Men moet inderdaad geen helderziende zijn om te weten dat het EU-stemrecht de totale electorale ravage zal aanrichten onder de Vlaamse lijsten. Neem Jette, een gemiddelde Brusselse gemeente waar in de jaren ’70 een 10-tal Vlaamse verkozenen waren en 3 schepenen. In 1988 waren er nog 7 Vlaamse verkozenen en 1 schepen, in 1994 nog 3 verkozenen van wie 1 schepen (Robert Garcia). In 2000 zullen er in het beste geval nog 2 Vlaamse verkozenen zijn (op 33) en met het EU-stemrecht nog 1, wellicht een Vlaams Blok’er. Uit de meeste Brusselse gemeente-raden en OCMW’s, zullen de Vlamingen compleet verdwijnen. De VLD heeft in dit opzicht overschot van gelijk om van een gegarandeerde Vlaamse aanwezigheid in Brussel een absolute voorwaarde te maken voor regeringsdeelname.
Om het met Brussel-kenner André Monteyne, de voorzitter van het Vlaams Komitee voor Brussel, te zeggen: als de Vlaamse gemeenschap in Brussel virtueel verdwijnt, heeft België voor Vlaanderen geen enkele meerwaarde meer en houdt het op te bestaan. Ook nationaal Davidsfondsvoorzitter Prof. Fernand Vanhemelrijck wees al op de gevolgen van een EU-stemrecht dat geen rekening houdt met de broze federale evenwichten in Brussel en in de Rand: "De federale regering en de Franstalige Brusselse partijen zouden moeten beseffen dat zij hierdoor met vuur spelen. Want wanneer Brussel uitgegroeid is tot een volledig Franstalige stad, waar sommigen naar streven, heeft zij ook haar doodvonnis getekend als hoofdstad van België, met alle gevolgen vandien", zei Vanhemelrijck op een Vlaamse meeting in Jezus-Eik op 10 maart 1998. Het is zeer de vraag of premier Dehaene en vice-premier Herman Van Rompuy, inwoner van Sint-Genesius-Rode, goed beseffen wat er op het spel staat. Minister-President Luc Van den Brande heeft het wel ingezien. "Geen Vlamingen meer in Brussel, betekent ook geen België meer", stelde Luc Van den Brande(3), die eveneens aandrong op uitstel voor het EU-stemrecht.
De veroordeling van België door het Europees Hof van Justitie voor het nog niet invoeren van het EU-stemrecht, is veel minder erg dan het wordt voorgesteld. Het is vooral een blaam voor Premier Dehaene. Keer op keer ging de Belgische regering in de fout. Eerst door in het Verdrag van Maastricht de Vlaamse voorwaarden niet te doen opnemen. Dat had perfect gekund, want België had een vetorecht aan de Europese tafel. Maar de Franstaligen verhinderden dat de Belgische onderhandelaars de Vlaamse voorwaarden hard konden maken. Vervolgens door het advies van de Raad van State te negeren dat stelde dat vooraf de grondwet moest worden gewijzigd. Op dit punt moest premier Dehaene intussen wel inbinden. Verder door de resolutie van het Vlaams Parlement weg te wuiven dat in de Europese richtlijn voor-waarden wilde inbouwen. En tot slot door de datum van 1 januari 1996 niet te respecteren, datum waarop de richtlijn in Belgische wetgeving moest zijn omgezet.
De regering-Dehaene probeert het nu anders voor te stellen. Europa zou ons dwingen het EU-stemrecht in te voeren en de voorwaarden van het Vlaams Parlement zouden voor Europa onaanvaardbaar zijn. Maar dat komt neer op boerenbedrog. Want kijken we eens naar de zes voorwaarden gesteld door het Vlaams Parlement in de resolutie van 25 juni 1997.
Neen, niet Europa verhindert die Vlaamse voorwaarden – die zijn perfect legitiem – maar de Franstalige partijen, die de Vlamingen in Brussel en de Gordel van de kaart willen vegen. Om zijn regering te redden en zijn Europese ambities veilig te stellen, is Dehaene en met hem de CVP bereid de Vlaamse resolutie in de vuilbak te gooien en de Vlaamse belangen te verkwanselen. Nota bene een resolutie die CVP-voorzitter Marc Van Peel mee goedkeurde en waarvan het amendement over de Brusselse Vlamingen kwam van Brigitte Grouwels, nu Vlaams minister voor Brussel. En nu wil de CVP het aan boord leggen met de PRL-FDF-federatie om aan een tweederde meerderheid te geraken. Er is een tweederde meerderheid voorhanden, en VLD en VU willen die morgen leveren als de Vlaamse resolutie wordt gerespecteerd. Maar dat mag niet van de Franstaligen, en dus neemt de CVP haar bocht. Als de CVP met het FDF het EU-stemrecht erdoor jaagt zonder tweederde meerderheid aan Vlaamse kant – een primeur in onze geschiedenis – zal ze door de Vlaamse beweging van verraad worden beschuldigd. Kan de CVP het zich veroorloven om met een zwaar geschonden Vlaams blazoen naar de verkiezingen te gaan, die hoe dan ook communautair zullen zijn ? Hoe ver Dehaene durft te gaan, zal blijken in het najaar van 1998.
Als de bedoelingen van de Franstaligen zuiver zijn, als het hen er werkelijk enkel om te doen is om de Europeanen stemrecht te geven, waarom stemmen ze dan niet in met de Vlaamse voorwaarden ? Ieder kind ziet waarom. Omdat ze de Vlamingen in Brussel en in de Vlaams-Brabantse Gordel willen doen capituleren. De invoering van het onvoorwaardelijk EU-stemrecht, gekoppeld aan de tot een formaliteit herleide naturalisatie-procedure (zoals PRL-FDF en PS eisen) en het later in te voeren migrantenstemrecht, betekenen de doodsteek voor de Vlamingen in het Brusselse.
Als door het onvoorwaardelijk EU-stemrecht de Vlamingen in Brussel virtueel worden uitgeschakeld, en als zij in de Vlaamse Rand verder worden achteruitgeslagen, zal de roep om Brussel te laten voor wat het is en snel een onafhankelijk Vlaanderen – staat in Europa -, te realiseren, zeer luid weerklinken. We moeten daar zelfs niet mee wachten. Als Dehaene erin slaagt het EU-stemrecht erdoor te duwen, zonder de resolutie van het Vlaams Parlement te respecteren, dan moet de Vlaamse Beweging onmiddellijk en krachtdadig de steven wenden naar de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Dit ondermeer volop gesteund door het Vlaams bedrijfsleven, dat het hoe langer hoe meer niet meer ziet zitten in het door de Waalse ‘communisten’ gedomineerde en tot volslagen immobilisme gedwongen België, waar de Vlaamse ondernemingen door de loodzware lasten niet meer concurrentieel kunnen zijn, wat een zware hypotheek legt op onze groeikansen en onze werkgelegen-heid, en dus op onze Vlaamse welvaart en welzijn.
Wij Vlamingen zijn Brussel daardoor niet noodzakelijk kwijt, integendeel. Als onafhankelijke, soevereine staat in Europa, lid van de Europese Unie, de NAVO, enz., zullen de Vlamingen dan vanuit een veel sterkere, met een vetorecht uitgeruste natie meepraten over de toekomst van Brussel, waar geen beslissing zal kunnen over genomen worden zonder het akkoord van de Vlamingen, zoniet ontstaat een interstatelijke crisis in het hart van Europa en dat zullen de andere EU-staten niet laten gebeuren.
Maar Dehaene lijkt wel doof voor alle redelijke argumenten, verblind als hij is door zijn Europese ambities om nog eens een gooi te doen naar het voorzitterschap van de Europese Commissie, ambitie waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt, ook de belangen van de Vlamingen en waarvoor zelfs, zoals hierboven uiteengezet, de toekomst van het federale België op het spel wordt gezet. Niet dat wij Vlamingen kost wat kost België moeten verdedigen, integendeel, maar als België uiteenvalt moeten wij wel zo handig manoeuvreren dat we als nieuwe Vlaamse soevereine staat Brussel als tweetalige hoofdstad (met alle culturele rechten voor de Franstaligen) kunnen meenemen. Het is van levensbelang. Dat vergt groot staatsmanschap, en dan zullen staatsmannen van het kaliber van een Guy Verhofstadt moeten bewijzen wat ze in hun mars hebben. Tsjechië heeft het ons, vreedzaam, voorgedaan, Als het moet, volgen de Vlamingen dat voorbeeld.
Noten
Orde der Geneesheren
Geachte Professor,
Zoals in een telefoongesprek werd vermeld, ben ik van oordeel dat de tijd gunstig is om de oprichting te bekomen van een autonome Vlaamse vleugel van de Orde der Geneesheren.
Het is U bekend dat in een niet zo ver verleden de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren gedomineerd werd door enkele Fransdolle magistraten en artsen uit de Hoofdstad van Vlaanderen. Zonder enige scrupule werd er in de periode van de oprichting van de Orde na de Tweede Wereldoorlog uitsluitend gebruik gemaakt van de taal van de minderheid in dit land. Het is slechts na het langzaam groeiend verzet van enkele Vlaamse artsen dat hierin verandering is ingetreden, alhoewel de huidige Magistraat-Voorzitter toch nog altijd tot de Franssprekenden dient te worden gerekend.
Nochtans meen ik dat niet alleen het taalverschil hier ernstig dient in overweging genomen te worden. Ook de verschillen in mentaliteit, sociale bewogenheid, opvattingen over deontologie en de wijze van uitoefening en financiering van de geneeskunde, maken dat de richtingen waarin deze tussen Noord en Zuid evolueren, steeds duidelijker op de voorgrond treden. Dit uit elkaar groeien van de wijze van de uitoefening van de geneeskunde, die wij toch steunen en in de hand willen werken, vereist dat niet alleen de autonomie van de Vlaamse Provinciale Raden van de Orde dient behouden, maar vereist tevens een volledig autonoom Vlaams Nationaal Ordinaal gezagsorgaan.
Gezien op dit ogenblik duidelijk geopteerd wordt om belangrijke hervormingen van de Orde der Geneesheren door te voeren, is het noodzakelijk vanuit onze Vlaamse bewogenheid hier onze stem te laten horen. Het VGV is hiertoe wel de meest geschikte organisatie.
Het is immers een onbetwistbaar feit dat vanuit unitaristische kringen, die ook in de Orde der Geneesheren een niet te onderschatten machtspositie bekleden, zal getracht worden dit aspect in het doorvoeren van de hervorming dood te zwijgen.
In die optiek meen ik dat het tot de taak van het VGV behoort hieraan de nodige ruchtbaarheid te geven en er zo nodig een sensibilisatiecampagne voor op touw te zetten. Zeker zijn er Collegae, zelfs onder degenen die zetelen in de organen van de Orde der Geneesheren, die deze actie gunstig gezind zijn.
Het verwezenlijken van een autonome Vlaamse Regionale Raad van de Orde zal ons streven naar een Vlaanderen met volledige autonome bevoegdheid mee helpen verwezenlijken.
GESCHIEDENIS VAN DE GENEESKUNDE
vrijdag 20 november 1998 om 16 uur
Faculteit geneeskunde UZ, faculteitszaal
collega proximus: Prof. Dr. R. Rubens
Prof. Dr. H. Beukers
"Zure geesten en loogzouten.
De iatrochemische School van Franciscus de le Boë, Sylvius".
donderdag 17 december 1998 om 16 uur
Faculteit Toegepaste Wetenschappen – Plateaustraat 22
collega proximus: Prof. Dr. ir. A. Van Cauwenberghe
Prof. Dr. P. Eijkhoff (Technische Universiteit Eindhoven)
"Onzekerheid als opgave; het regelprincipe door de eeuwen heen…"
Maandag 12 oktober 1998
Bloedspuwing: een diagnostisch probleem in de 19e eeuw
Dr. E. Baeck, Antwerpen
Maandag 16 november 1998
Neues zu Begründung der Chemotherapie bei Paul Ehrlich
Prof. em. Dr; H. Schadewaldt, Düsseldorf
Maandag 14 december 1998
De aderlating: geschriften & instrumenten
Demonstraties ten huize van Prof. Dr. R. Van Hee & Dr. Y. De Grave, Antwerpen
Open brief
Welk ziekenfonds wil een Vlaams Gezondheidsbeleid ?
Wie zijn wij ?
Het Onafhankelijk Ziekenfonds Vlaanderen (OZV) is werkzaam in Oost- en West-Vlaanderen met zetel te Gent. Het telt meer dan 60.000 verzekerden en heeft kantoren in de meeste steden van deze twee provincies.
Sedert 1 januari 1998 behoren wij tot de groep van de Onafhankelijke Ziekenfondsen. Zij verzekeren 16 % van de bevolking. Tot dan waren wij aangesloten bij de Neutrale groep (4 % van de bevolking) onder de naam Vlaams Neutraal Ziekenfonds.
Door de overstap naar de koepel van de Onafhankelijke Ziekenfondsen krijgen wij meer middelen en kansen om een valabel (lees: beter) alternatief te bieden voor de kleurziekenfondsen.
Wij zijn een ziekenfonds voor de niet-zuilgebonden burger
Dit is steeds de bestaansreden van ons ziekenfonds geweest. Op deze manier ondersteunen wij de ontzuiling van Vlaanderen en, in het bijzonder, een meer doorzichtige besluitvorming in het gezondheidsbeleid. Want op vandaag worden wij geconfronteerd met een kartelvorming tussen de Christelijke en Socialistische ziekenfondsen. Dikwijls primeert het zuilbelang op het algemeen belang.
Onafhankelijk maar niet kleurloos
"Niet kleurloos" betekent dat wij standpunten durven innemen. Kleur brengen in het grijze en versnipperde landschap van de gezondheidszorg. Wij willen een beleid met een visie – een visie die werkelijk de onze is, die niet gedicteerd wordt.
Wat is onze visie m.b.t. het gezondheidsbeleid ?
Wij kunnen dit duidelijk verwoorden. Wij hoeven immers geen rekening te houden met partijpolitieke opgelegde standpunten.
Wij willen als zorgverzekeraar een autonoom Vlaams gezondheidsbeleid
Vanuit onze deskundigheid als zorgverzekeraar ondervinden wij dagdagelijks de inconsequenties van het huidige versnipperde beleid.
Wij willen dus zo snel mogelijk één gezondheidsbeleid.
Op vandaag behoort gezondheidsopvoeding en –preventie tot de bevoegdheid van de gemeenschappen, terwijl de ziekteverzekering federale materie is. Waar blijven dan de aanmoedigingen voor een gezonde levenswijze als de federale staat toch de factuur betaalt bij ziekte ?
Op vandaag is de organisatie van de thuiszorg een gemeenschapsmaterie, terwijl de financiering van de thuisverpleging, federale bevoegdheid is. Hetzelfde geldt voor het ziekenhuisbeleid.
Wij ijveren voor een efficiënt en verantwoordelijk gezondheidsbeleid, dus voor homogene bevoegdheidspakketten.
Op welke niveau moet dan het gezondheidsbeleid georganiseerd worden ?
Het is onze visie dat het gezondheidsbeleid zo dicht mogelijk op de noden van de gemeenschappen moet aansluiten. Het RIZIV-rapport van de commissie Jadot toont aan dat Vlaanderen en Wallonië verschillende klemtonen leggen. Vlaanderen schenkt meer aandacht aan thuiszorg, rust- en verzorgingstehuizen en tandzorgen. Wallonië geeft meer uit voor klinische biologie, medische beeldvorming, geneesmiddelen en raadplegingen bij specialisten.
De geneeskundige verzorging en dienstverlening zijn nauw verbonden met de cultuur van een volk. Daarom pleiten wij voor een autonoom Vlaams gezondheidsbeleid en dus voor een splitsing van de ziekteverzekering.
Anderzijds zijn wij ook niet blind voor de gevaren. De Christelijke Mutualiteiten hebben een dominante positie in Vlaanderen opgebouwd. Door hun ledental, maar vooral door hun banden met de politieke zuil, door hun overwicht bij het beheer van de gezondheid- en welzijnssector, vormen zij een bedreiging voor een performant Vlaams gezondheidsbeleid.
Vandaar dat een Vlaams ziekenfonds een goed presterend ziekenfonds moet zijn.
Als onafhankelijk ziekenfonds bieden wij de beste garanties voor de sociaal verzekerden in Vlaanderen.
Hubert Demeester, voorzitter
Geachte Heer Demeester,
Wij hebben uw brief met de doelstellingen van het Onafhankelijk Ziekenfonds Vlaanderen goed ontvangen en aandachtig gelezen.
Het doet ons genoegen vast te stellen dat uw ziekenfonds een autonoom Vlaams gezondheidsbeleid nastreeft en dat het duidelijk pleit voor een splitsing van de ziekteverzekering volgens de gemeenschappen.
Wij hopen dan ook dat uw ziekenfonds in de onmiddellijke toekomst actief met onze vereniging en met de andere verenigingen, aangesloten bij het Overlegcentrum Vlaamse Verenigingen (O.V.V.) en bij het Aktiekomitee Vlaamse Sociale Zekerheid (AK-VSZ), zal medewerken om die eis door te drukken.
Met de meeste hoogachting,
Raad van Bestuur van VGV
Geachte Heer Minister,
Momenteel wordt op het Ministerie van Volksgezondheid een nieuwe regelgeving voorbereid omtrent de dringende medische hulpverlening (MUG’s).
Voor zover ons bekend is, wordt hierbij geenszins rekening gehouden met de bestaande taalproblemen in het Brussels hoofdstedelijk gewest en het ommeland in Vlaams-Brabant.
Tot op heden is het risico reëel dat men als Nederlandstalige opgevangen wordt door een medisch urgentieteam waarvan niemand zijn taal begrijpt of spreekt. Dit geldt zowel voor medische urgenties ten huize, als voor ongevallen op de openbare weg tot diep in Vlaams-Brabant.
De nieuwe regelgeving is een gelegenheid bij uitstek om de erkenning van urgentieteams afhankelijk te maken van waterdichte garanties voor behoorlijke tweetaligheid bij elke tussenkomst in Brussel, ook wanneer de betrokken diensten afhangen van een unicommunautair geheel. Het is evident dat het beheersen van de taal van de patiënt bij spoedgevallen een conditio sine qua non uitmaakt voor de efficiëntie van de geboden zorg.
Gezien verscheidene MUG’s ook artsen en verpleegkundigen in opleiding bij hun werking betrekken, heeft dit verregaande gevolgen: stagiairs en assistenten die geen bewijs leveren van afdoende tweetaligheid, zullen niet kunnen optreden in het Brussels hoofdstedelijk gewest.
Bij deze gelegenheid moet nog een ander aspect worden benadrukt. Waar perfecte tweetaligheid van spoedgevallendiensten een evidente vereiste is, kan men dit niet zo stellen voor het gehele ziekenhuis waarin de spoedgevallendienst functioneert, tenminste voor zover het niet gaat om bicommunautaire openbare ziekenhuizen.
Er dient dan ook te worden voorzien in een expliciete en verplichte procedure, waarbij de patiënt (of zijn nabestaanden) na een eerste stabilisatie van de toestand zelf beslist of hij verder wenst te worden behandeld in het ziekenhuis waar hij initieel werd opgenomen, dan wel of hij zich wenst te laten overbrengen naar een andere instelling. De huisarts wordt bij deze beslissing betrokken.
Om overbodige secundaire transporten te vermijden, zou de arts, verbonden aan de MUG reeds initieel kunnen rekening houden met taalaanhorigheid van de patiënt bij zijn keuze voor hospitalisatie.
Met de meeste hoogachting,
Raad van Bestuur van VGV
cc: Dhr. J.L. Dehaene, Eerste-Minister; Dhr. J. Chabert, Minister in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Dhr. R. Grijp, Minister in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Dhr. L. Van den Brande, Minister-president; Mevr. B. Grouwels, Minister van Brusselse Aangelegenheden; Mevr. W. Demeester, Minister van Gezondheidsbeleid; Dhr. L. Peeters, Minister van Binnenlandse Aangelegenheden; de Voorzitters van de Vlaamse Politieke partijen; de Pers
Betreft:
MUG’s – taalproblematiek BrusselMijnheer de voorzitter,
Mijnheer de ondervoorzitter,
Met aandacht nam ik kennis van uw brief d.d. 13 mei jl. aan de heer Colla, federaal minister van Volksgezondheid, in verband met de taalproblematiek bij de MUG-organisatie in en rond Brussel.
Zoals U allicht weet heeft minister Colla op 20 mei jl. in de Kamer geantwoord op een parlementaire vraag over deze materie van de heer Jan Van Erps, CVP-volksvertegenwoordiger.
In Brussel is de taalwetgeving per definitie van toepassing op de openbare ziekenhuizen en hun MUG’s. Die diensten moeten tweetalig zijn. De taalwetgeving is niet van toepassing op de particuliere ziekenhuizen. Wel moeten ook deze MUG’s in staat zijn om de patiënten te bedienen, en zouden dus ook de hulpdiensten van particuliere ziekenhuizen moeten beschikken over tenminste een lid dat het Nederlands machtig is.
Verder zal ik deze problematiek ook tijdens de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid aankaarten.
Met de meeste hoogachting,
Wivina Demeester
Betreft: regelgeving MUG’s – taalproblemen in Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Mijnheer de voorzitter,
Mijnheer de ondervoorzitter,
VU-partijvoorzitter P. Vankrunkelsven maakt mij uw schrijven over van 15.5.98, inzake de taalreglementering in Brussel en Vlaams Brabant, bij de dringende medische hulpverlening.
Ik sluit mij zeer graag aan bij uw bezorgdheid en actie.
Ingesloten zend ik U kopij van een parlementaire vraag, die ik daarover richt aan de heer Colla, minister van Volksgezondheid.
Met de meeste hoogachting,
Jan Loones
Geachte Heer Suykerbuyk,
De Raad van Bestuur van het Vlaams Geneesherenverbond feliciteert U, en de parlementsleden die er hun stem aan verleenden, met de goedkeuring door het Vlaams parlement van uw voorstel van decreet om enige financiële steun te verlenen aan behoeftige repressie- en oorlogsslachtoffers, op basis van volgende overwegingen:
Om al deze redenen vragen wij U, U niet te laten intimideren door de hoofdzakelijk Franstalige tegenstanders van uw decreet: hun tactiek bestaat er eens te meer in te pogen de Vlamingen met een schuldgevoel op te zadelen ("onverdraagzaamheid, ondemocratisch handelen, racisme, fascisme, antisemitisme" enz) om enerzijds de aandacht af te wenden van hun imperialistische aanspraken in Brussel en in de Vlaamse Rand, en om anderzijds het Vlaamse streven naar verdere autonomie te diaboliseren. Zij die de haat willen in stand houden zijn bewust of onbewust de doodgravers van de samenwerking tussen Vlamingen en Walen in eenzelfde staat.
Met de meeste hoogachting,
Raad van Bestuur van VGV
cc: Dhr. N. De Batselier, voorzitter van het Vlaams parlement; Dhr. L. Van den Brande, Minister-president; Dhr. L. Martens, Minister van Welzijn; Mevr. B. Grouwels, Minister van Brusselse Aangelegenheden; Dhr. L. Dehaene, Eerste-Minister; de Voorzitters van de Vlaamse Politieke Partijen; de Pers
Mijnheer de voorzitter,
Voor uw brief van 26/6 ll. ben ik u bijzonder dankbaar en verontschuldig me deze slechts vandaag te kunnen beantwoorden.
Uw analyse is correct. De informatie over het decreet werd in een vroeg stadium bij herhaling gegeven. Maar sommigen schijnen geen informatie te willen. Bijzonder pijnlijk is dat daardoor, ook Vlaamse oorlogsslachtoffers, slecht geïnformeerd, misbruikt worden. Zij moeten, door straffe uitspraken de indruk wekken dat de hele Belgische gemeenschap dit als een kaakslag ervaart.
Het stemt tot nadenken dat dit land zijn verleden niet kan verwerken en zou het toeval zijn dat deze opstelling naar het verleden samenvalt met de verschillende zienswijzen, die op zoveel andere terreinen tussen Noord en Zuid bestaan.
Uw schrijven is meer dan een schouderklopje. Het is een gemeende vorm van steun, waarvoor ik u zeer erkentelijk ben.
Met voorname achting,
Herman Suykerbuyk,
Geachte Heer Eerste-minister, Geachte Heer C.V.P.-Voorzitter,
Aangezien de C.V.P. een sleutelpositie bezet in de toekenning van het gemeentelijk stemrecht aan E.U.-burgers, zouden wij het onbegrijpelijk en onverantwoordelijk vinden dat uw politieke partij zou weigeren aan dat stemrecht de voorwaarden te verbinden, die geformuleerd werden door het Vlaams parlement.
Het Vlaams Geneesherenverbond zal zeer scherp toezien op uw houding in deze materie en is van oordeel dat een Belgische structuur, die de rechtmatige belangen van de Vlaamse gemeenschap in Brussel en in de Vlaamse Gordel niet beschermt, geen meerwaarde heeft voor Vlaanderen.
Met de meeste hoogachting,
Raad van Bestuur van VGV
Geachte Mevrouw, Geachte Heer,
Het Vlaams Geneesherenverbond staat positief tegenover het gemeentelijk stemrecht van EU-burgers op voorwaarde dat er gelijktijdig waarborgen voor de Vlamingen in Brussel en in de Vlaamse Gordel rond Brussel worden ingebouwd. Dergelijke waarborgen zijn ondermeer de voorwaarden die door het Vlaams parlement in 1994 werden goedgekeurd (belastingsplicht, een minimum verblijfsduur, een maximum drempel per gemeente, toepassing van de taalwet voor verkiesbaarheid, voorbehoud van uitvoerende mandaten voor de autochtone bevolking), de overheveling van de kieswetgeving naar de gewesten zoals reeds overeengekomen werd in het Michielsakkoord en vooral een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de Brusselse instellingen.
In het hierbijgevoegd artikel "Staatslui gevraagd" argumenteert de Heer Guido Tastenhoye (Gazet van Antwerpen 14 juli ’98) met ontnuchterende cijfers waarom een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel in het licht van het EU-stemrecht noodzakelijk is.
De Heer Marc Van Peel weet even goed als U en ik dat, indien het EU-stemrecht zonder gelijktijdige voorwaarden wordt toegekend, de Vlamingen een uiterst belangrijke troefkaart verliezen om die waarborgen binnen te halen zonder communautaire toegevingen.
Ministers Brigitte Grouwels heeft gelijk. Grijp in vooraleer aan de rechtmatige Vlaamse belangen ernstige schade wordt toegebracht en laat niet toe dat de CVP weldra wordt geschandvlekt als onverschillig of schadelijk voor die rechtmatige Vlaamse belangen in een alliantie met het F.D.F.
Met de meeste hoogachting,
Professor Dr. E. Ponette, Voorzitter VGV
Geachte dokter,
Uw fax van 13 juli jl. heb ik in goede orde ontvangen. De problematiek van de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Brusselse Vlamingen op de diverse institutionele niveaus te Brussel ligt ook mij nauw aan het hart.
Het partijbureau van maandag 13 juli jl. heeft een uitvoerige bespreking aan deze problematiek gewijd. Wij blijven bij ons standpunt van 18 maart jl. i.v.m. het realiseren van het gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen en zijn van oordeel dat de invoering van dit stemrecht niet gekoppeld kan worden aan de eis voor een gewaarborgde Vlaamse vertegenwoordiging in de Brusselse instellingen. De CVP stelt dat er voor de problematiek van de gewaarborgde vertegenwoordiging een oplossing dient gevonden te worden, na de verkiezingen van 1999.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, pas tot stand gekomen in ’89, na jaren van koelkastpolitiek, is met zijn garanties voor de Brusselse Vlamingen, ontegensprekelijk de tegenhanger van de regeling op Federaal niveau, waar de Franstaligen de minderheid vormen.
Indien zou blijken dat na de verkiezingen van ’99 het verhaal van mijn collega Grouwels de waarheid wordt, en het bovenvermelde evenwicht houdt op met bestaan, komt sowieso de Belgische constructie in gevaar.
Zoals u weet ben ik al langer vragende partij opdat er in ’99 communautaire onderhandelingen zouden starten. De gewaarborgde Vlaamse aanwezigheid zal zeker op de agenda staan. Indien de Franstaligen samen met de Franstalige Brusselaars het "Brussels pacificatiemodel" niet willen aanpassen aan de Vlaamse eisen terzake, zal eenieder zijn conclusies dienen te trekken.
Ter informatie bezorg ik u het standpunt van de CVP inzake gemeentelijk stemrecht voor EU-onderdanen.
Met vriendelijke groeten,
Wivina Demeester
Waarde Professor,
Hartelijk dank voor uw vriendelijk kaartje, waarin U mij feliciteert voor de principiële VLD-houding inzake het EU-stemrecht, gekoppeld aan de Vlaamse eisen.
Ik kan U mededelen dat wij terzake voet bij stuk zullen houden en dat de nodige tweederde meerderheid voor een grondwetswijziging nog lang niet binnen is…
Met vriendelijke groeten,
Guy Verhofstadt
Geachte Heer,
Onlangs vloog ik met Sabena naar Nice voor een medisch congres. Het "Sabena Passport" dat ik in de rugleuning van de zetel vond, had alles in zich om mijn reis te bederven.Op het eerste en tweede blad maakt U uitgebreid publiciteit om een weekend in Brussel door te brengen ("A pleasant weekend in Brussels"). Tot mijn ergernis wordt Brussel daarin voorgesteld als een eentalig Franse stad: alle straatnamen, pleinen en deelgemeenten worden enkel met hun Franse benaming weergegeven, wat meestal dan nog een verbastering is van de oorspronkelijke Vlaamse naam. Zelfs een tentoonstelling in het museum van het Vlaamse Tervuren wordt "l’autre Visage" genoemd in deze Engelse tekst.
U blijkt niet te beseffen dat U hiermee de woede op de hals haalt van het overgrote deel van uw reizigers, namelijk de Vlamingen. De meeste Vlamingen zullen ook deze belediging er wel bij nemen, maar ik wens alleszins geen beroep meer te doen op Sabena. Ik zal ook niet nalaten mijn Vlaamse confraters aan te raden zich voor hun verplaatsingen naar medische congressen en voor vakantiedoeleinden tot een andere luchtvaartmaatschappij te wenden.
Prof. Dr. D. Blockmans, U.Z. Gasthuisberg
Geachte Professor,
Wij danken u voor uw brief van 19 juni jongstleden.
De advertentie "A pleasant weekend in Brussels" werd door TIB (Dienst voor Toerisme en Informatie van Brussel) ontwikkelt. Wij hebben de aandacht van de Directeur Generaal van TIB getrokken op het feit dat de straatnamen, pleinen en deelgemeenten ofwel in het Nederlands en Frans, ofwel in het Engels moeten vermeld worden en niet meer in het Frans alleen.
Ik kan U verzekeren dat Sabena, waar 5.200 Vlamingen werken, elke klant met aandacht en respect behandelt.
Ik hoop dat u uw beslissing om geen beroep meer te doen op Sabena zal herzien. Wij danken u hiervoor bij voorbaat en tekenen,
Hoogachtend,
P. du Bois, Executive Vice President Sabena
Secretary General
Geachte Heer,
Via de Sabena-directie ontvingen wij een copie van uw schrijven waarin u uw ongenoegen uit i.v.m. de fiche "A pleasant weekend in Brussels" die zich in het Sabena-magazine "Passport" bevindt.
Wegens taalkundige redenen en ter bevordering van de verstaanbaarheid van een document, worden in de Engelstalige edities adressen aangegeven in het Frans; in de Duitstalige edities wordt alles weergegeven in het Nederlands. Alléén stadsplannen zijn tweetalig. In overleg met onze Nederlandstalige partners werd deze regel vastgelegd en reeds vele jaren toegepast in onze toeristische edities. Dit zal in de toekomst dan ook aangepast worden.
Wij hopen u met deze toelichtingen van dienst te zijn geweest en sluiten met de meeste hoogachting.
André Vrydagh, Dienst voor Toerisme en Informatie van Brussel vzw,